Naamgeving

De kleine mantelmeeuw (Larus fuscus) dankt haar naam aan de donkere, leigrijze tot bijna zwarte bovenzijde van de vleugels en rug, die als een mantel over het witte lichaam ligt. Het onderscheidende adjectief 'kleine' verwijst naar het formaat in vergelijking met de grotere grote mantelmeeuw.

Leefwijze

Winter

In tegenstelling tot veel andere meeuwensoorten is de kleine mantelmeeuw een uitgesproken trekvogel, en overwintert deze in Zuid-Europa en Marokko. Doordat onze winters echter steeds zachter worden, blijven er steeds meer en meer kleine mantelmeeuwen bij ons hangen, of trekken ze slechts een korte afstand.

Lente

Vanaf april tot in alle zitten deze vogels in hun broedperiode.

Herfst

De trek van de kleine mantelmeeuw start al vrij vroeg, éénmaal oktober zijn de vogels die willen trekken, ook wel allemaal vertrokken.

Voeding

De kleine mantelmeeuw is een echte opportunist en een uitstekende visser. Het dieet bestaat voornamelijk uit zeevis zoals haring, sprot en zandspiering, vaak gevangen achter vissersschepen. Daarnaast foerageert de soort geregeld op landbouwgronden naar regenwormen, insecten en aas.

Bedreiging

Veranderingen in de visserij, afname van prooivis, predatie door vossen in grondkolonies en verstoring van nestplaatsen vormen reële uitdagingen voor de soort. Ook botsingen met infrastructuur op zee en land vormen een risico.

Kunstlicht

Lichtvervuiling en nachtelijke verlichting rond havens en offshore-installaties kunnen het trekgedrag en de nachtelijke oriëntatie van meeuwen beïnvloeden, waardoor ze gedesoriënteerd raken of verleid worden tot nachtelijk foerageren in verstoorde omgevingen.

Soorten

Ondersoorten en verwanten

Binnen Europa worden diverse ondersoorten onderscheiden, zoals Larus fuscus graellsii in West-Europa en Larus fuscus intermedius in Scandinavië. Ze worden in het veld vaak vergeleken met de zilvermeeuw en grote mantelmeeuw, maar vallen op door hun felgele poten en slanke silhouet.